Tine

idee—> jeugdcriminaliteit zou dan bij niet aangeboren jongeren(kinderen) komen te staan.

Jeugdcriminaliteit

P.H. van der Laan

Handboek Jeugdzorg (september 2004)

Inhoud
1. Inleiding
2. Afbakening
3. Omvang en ontwikkeling jeugdcriminaliteit
4. Aard jeugdcriminaliteit
5. Kenmerken van jeugdige delinquenten
6. Verklaringen voor jeugdcriminaliteit
7. Specifieke verklaringen voor jeugdcriminaliteit
8. Ter afsluiting
Literatuur
1. Inleiding
Over jeugdcriminaliteit wordt veel gepraat en veel geschreven. Er wordt ook veel onderzoek naar gedaan, decennia lang. Vooral dankzij het onderzoek hebben we een redelijk inzicht in de ontwikkeling van jeugdcriminaliteit in ons land en in de kenmerken ervan. Aan theorievorming en daarmee aan verklaring van crimineel gedrag heeft het evenmin ontbroken. Van oudsher mag jeugdcriminaliteit op de nodige aandacht vanuit de nationale en de internationale criminologie rekenen.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op omvang, aard en ontwikkeling door de jaren heen van jeugdcriminaliteit en op daderkenmerken. Enkele veelgehoorde verklaringen worden besproken van al dan niet bijzondere vormen van jeugdcriminaliteit. Allereerst echter een korte afbakening van het onderwerp.

2. Afbakening
Wat onder jeugdcriminaliteit verstaan dient te worden, ligt niet vast; het is geen beschermd begrip. In het Anglo-Amerikaanse taalgebied wordt onderscheid gemaakt tussen juvenile delinquency and juvenile crime. Delinquency staat voor minder ernstige overtredingen en omvat ook probleemgedrag – ook wel status offences genoemd – zoals weglopen van huis en (hardnekkig) spijbelen, dat in ons land niet of in ieder geval niet strafrechtelijk wordt aangepakt. [Ten aanzien van spijbelen lijkt het tij overigens te keren. In het kader van een geïntensiveerd beleid om spijbelen tegen te gaan worden meer dan vroeger ouders vervolgd en jongeren door middel van taakstraffen (leerstraffen) aangepakt. Eind 2003 kondigde het Openbaar Ministerie in Almelo zelfs aan in het vervolg tegen jongeren (voorwaardelijke) vrijheidsstraffen te eisen bij herhaald spijbelen.] Crime staat voor de ernstiger misdrijven.

In ons taalgebied wordt niet zo’ n strikt onderscheid gehanteerd. Jeugdcriminaliteit of jeugddelinquentie betreft het overtreden van normen en regels die zijn vastgelegd in de strafwet of daaraan gelieerde verordeningen en regelgeving zoals plaatselijke politieverordeningen. Probleemgedrag in de zin van eerdergenoemde status offences valt daar niet onder. Het gaat om gedragingen die betrekkelijk objectief zijn vast te stellen en waarbij de (straf-)wet fungeert als referentiekader. Dat betekent overigens niet dat alle schendingen van bepaalde normen altijd, overal en door iedereen als even ernstig worden opgevat.

Naast jeugdcriminaliteit of jeugddelinquentie wordt de laatste tijd steeds vaker de term antisociaal gedrag gebruikt. Het verschil met criminaliteit of delinquentie is dat het meer onacceptabele of storende gedragingen omvat zonder een éénduidig toetsingskader. Aan de hand van een classificatiesysteem als de DSM ( Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, APA, 1994) is het mogelijk psychiatrische stoornissen, zoals gedragsstoornissen, oppositioneel opstandige stoornissen, adhd en middelengebruik als stoornissen te definiëren en onder de noemer antisociaal te brengen ( Verhulst, Donker & Hofstra, 2001). Antisociaal gedrag kent echter diverse varianten, afhankelijk van de verschillende wetenschappelijke disciplines waaruit het benaderd wordt ( Peeters, 2000). Het omvat ook gedragingen waarover in de wet niets te vinden is. Te denken valt aan ‘rondhangen’ door jongeren dat door voorbijgangers of winkeliers als vervelend en bedreigend wordt ervaren, maar daarmee nog geen delict of strafbaar feit is. Hetzelfde geldt voor druk en hinderlijk gedrag thuis of in de klas. Hierbij is, net als rond spijbelen, sprake van veranderingen. In een aantal plaatsen zijn in lokale politieverordeningen verboden opgenomen op samenkomen in groepen op bepaalde plaatsen teneinde de veiligheid ter plaatse te bevorderen.

Voor de afbakening van het begrip van criminaliteit (of delinquentie) geldt in deze bijdrage als criterium dat in principe strafvervolging mogelijk is. Aangezien het jeugdcriminaliteit betreft, gaat het primair om de leeftijdscategorie 12 tot en met 17 jaar, de strafrechtelijk minderjarigen. Dit is de categorie waarop in ons land het jeugdstrafrecht van toepassing is. Onder bepaalde omstandigheden kunnen ook 18 tot en met 20-jarigen volgens het jeugdstrafrecht worden berecht. Dit komt echter slechts sporadisch voor en blijft hier verder buiten beschouwing.

Kinderen jonger dan 12 jaar die een strafbaar feit hebben gepleegd, kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd. Over deze kinderen is weinig informatie te vinden, ook al hebben zij een delict gepleegd en zijn zij aangehouden door de politie. Zij komen niet voor in politie- of rechtbankstatistieken. Dit betekent niet dat, als jonge kinderen strafbare feiten plegen, er op dat gedrag niet gereageerd zou worden. Het gebeurt alleen niet in een strafrechtelijke context. Jonge kinderen kunnen naar Stop worden gestuurd, een met de Halt-afdoening vergelijkbare reactie, of er kan een maatregel van kinderbescherming worden opgelegd als men van mening is dat een evenwichtige ontwikkeling gevaar loopt. In dit hoofdstuk blijven zij evenwel buiten beschouwing.

3. Omvang en ontwikkeling jeugdcriminaliteit
3.1. Informatiebronnen
Omvang, aard en ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit kunnen worden beschreven aan de hand van twee soorten informatiebronnen: cijfers over door de politie gehoorde minderjarige verdachten en gegevens uit zelfrapportage-onderzoek. Gegevens over door de politie ge-hoorde verdachten worden gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Zelfrapportage houdt in dat jongeren gevraagd wordt of en hoe vaak zij in een bepaalde periode strafbare feiten hebben begaan. Zelfrapportage-onderzoek wordt door diverse organisaties uitgevoerd. De gegevens in dit hoofdstuk zijn afkomstig uit het zelfrapportage-onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie, dat om de twee jaar wordt gehouden onder een representatieve steekproef van circa 1.000 jongeren in de leeftijd van 12 t/m 17 jaar ( Kruissink & Essers, 2001).

Aan beide informatiebronnen kleven bezwaren. Politiegegevens hebben betrekking op geregistreerde criminaliteit; dat wil zeggen uitsluitend die criminaliteit die bij de politie is aangegeven en waar opsporingsactiviteiten hebben geleid tot aanhouding en verhoor van een jeugdige verdachte. Politiecijfers zeggen dus niets over de werkelijke omvang van jeugdcriminaliteit, maar slechts over dat deel dat bekend en geregistreerd is. Het spreekt voor zich dat zowel aangiftebereidheid bij slachtoffers als opsporingsinspanningen en -prioriteiten bij de politie op de cijfers van invloed zijn. Jaarlijkse schommelingen in politiecijfers kunnen het gevolg zijn van een andere opstelling en aanpak door de politie, maar ook van andere registratie, van andere omschrijvingen van delicten of van veranderingen in delinquent gedrag van jongeren ( Bol, Terlouw, Blees & Verwers, 1998). Politiecijfers geven derhalve geen inzicht in de absolute omvang van jeugdcriminaliteit, maar hooguit in eventuele trends (en zelfs die moeten met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd). Daar staat tegenover dat als het gaat om (zeer) ernstige vormen van jeugdcriminaliteit met lichamelijk letsel of omvangrijke schade als gevolg, politiegegevens redelijk betrouwbaar zullen zijn. Immers, in zulke zaken wordt doorgaans wel aangifte gedaan en doet de politie meer moeite de zaak op te lossen.

Zelfrapportage-onderzoek vormt een waardevolle aanvulling op politiegegevens. Het biedt inzicht in strafbare feiten die wel gepleegd zijn, maar niet zijn aangegeven en/of opgelost. Een deel van de onbekende, zogeheten dark figure of dark number criminaliteit komt aan het licht. Ook zelfrapportage-onderzoek kent echter beperkingen. Veel jongeren zullen, mits anonimiteit gewaarborgd is, best bereid zijn aan te geven dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan niet al te ernstige feiten (denk aan zwartrijden, vernieling, kleine winkeldiefstalletjes), maar of ze dat ook doen bij ernstige, maatschappelijk gevoelige feiten zoals zedendelicten en andere ernstige geweldsdelicten, is de vraag. Ten aanzien van betrouwbaarheid en validiteit van zelfrapportage-onderzoek bestaat dus wel enige twijfel. Daarom geeft zelfrapportage-onderzoek, net als politiecijfers, geen volledig inzicht in de omvang van jeugdcriminaliteit. Herhaald zelfrapportage-onderzoek geeft wel een goede indruk van de ontwikkeling van jeugdcriminaliteit, zij het wat minder van de ernstigste (gewelds-)criminaliteit ( Junger-Tas & Haen Marshall, 1999).

Zelfrapportage-onderzoek heeft overigens nog een ander belangrijk voordeel. Er kan naar allerlei relevante persoons-, gezins- en schoolkenmerken en naar andere (antisociale) gedragingen worden gevraagd. Daardoor kan meer inzicht verkregen worden in oorzaken en achtergronden van jeugdcriminaliteit. Politiestatistieken zijn daarvoor minder bruikbaar, omdat het vrijwel geheel ontbreekt aan achtergrondgegevens.

3.2. Geregistreerde jeugdcriminaliteit
In vergelijking met 1960 is het aantal jongeren dat in 2001 door de politie werd gehoord op verdenking van een strafbaar feit meer dan twee keer zo hoog ( Eggen, Kruissink, Van Panhuis & Blom, 2003). In 1960 waren het er 22.900, in 2001 ruim 47.100. Vooral tussen 1970 en begin jaren tachtig heeft zich een sterke stijging voorgedaan. Daarna is het afgenomen, om medio jaren negentig weer toe te nemen. De laatste jaren is het niveau min of meer stabiel en gelijk aan dat van twintig jaar geleden (zie figuur 1).

Figuur 1 Minderjarige verdachten

Afgezet tegen de omvang van de jeugdbevolking ziet de ontwikkeling er enigszins anders uit. De jeugdbevolking (12 t/m 17 jaar) is sinds begin jaren tachtig voortdurend in omvang afgenomen: van bijna 1,5 miljoen tot bijna 1,1 miljoen in 1996. Sindsdien neemt het aantal weer langzaam toe (in 2001 1,13 miljoen). In 1980 kwam 2,8% van de strafrechtelijk minderjarigen in aanraking met de politie. In de jaren daarna steeg dat percentage langzaam maar gestaag naar 4%; de afgelopen vijf jaar heeft het zich gestabiliseerd rond de 4,2%. Het werkelijke percentage zal lager uitvallen als rekening wordt gehouden met jongeren die in een jaar meer dan één keer door de politie worden aangehouden. Hoeveel dat er zijn is niet bekend.

Zowel het absolute aantal als het percentage gehoorde minderjarigen duiden op een stijging van de geregistreerde criminaliteit. Of de jeugdcriminaliteit ook werkelijk in omvang is toegenomen, is niet met zekerheid te zeggen. De soms opmerkelijke veranderingen tussen het ene en het andere jaar maken eenduidige conclusies hachelijk. Zo was er in 1996 een toename van maar liefst 23% ten opzichte van het jaar daarvoor. Dat van het ene op het andere jaar bijna een kwart meer jongeren besluit het verkeerde pad op te gaan of zich door de politie laat oppakken, lijkt echter onwaarschijnlijk. Zo"n stijging moet door iets anders zijn veroorzaakt. In 1997 daalde het aantal weer met ruim 7% en nadien nog verder.

De trendmatige stijging in het midden van de jaren negentig hangt mogelijk voor een deel samen met de extra aandacht voor het fenomeen jeugdcriminaliteit door toedoen van de rapportage door de Commissie Van Montfrans ( Met de neus op de feiten, 1994). Hierdoor is de aanpak van jeugdcriminaliteit voor achtereenvolgende kabinetten speerpunt van beleid geworden met onder meer als resultaat de herwaardering en versterking van de jeugdfunctie bij de politie en intensivering van opsporingsactiviteiten gericht op jongeren ( Visie op de politiële jeugdzorg, 1997). Het zal duidelijk zijn dat als de politiecapaciteit voor de aanpak van jeugdzaken wordt uitgebreid of beperkt, de geregistreerde jeugdcriminaliteit navenant zal stijgen of dalen.

3.3. Zelfgerapporteerde jeugdcriminaliteit
Metingen in zelfrapportage-onderzoek in de jaren 1988 tot en met 1998 laten voor de afzonderlijke jaargangen geringe fluctuaties zien, maar het overall beeld is er een van stabiliteit ( Kruissink & Essers, 2001) (zie tabel 1). In het jaar 1988 lijkt het niveau over het algemeen wat lager, in 1996 wat hoger.

Tabel 1 Door jongeren gerapporteerde delicten in ‘het afgelopen jaar’ (in %) (periode 1988–1998)* delict 1988 1990 1992 1994 1996 1998
zwartrijden 14,5 17.0 19,0 15,7 16,7 16,2
graffiti 10,3 8,8 8,6 10,1 11,1 11,0
iemand lastig vallen 9,9 12,0 11,8 14,1 14,6 9,9
vernieling 8,9 9,9 10,5 9,1 14,6 10,6
winkeldiefstal** 5,4 7,4 6,6 7,0 10,0 7,4
brandstichting 3,8 5,0 3,8 4,3 5,3 5,1
heling 3,5 4,1 4,0 4,2 8,6 6,1
fietsendiefstal 2,1 3,0 2,7 1,3 3,1 3,5
iemand in elkaar slaan 1,9 2,7 2,7 2,7 3,3 2,6
inbraak/insluiping 1,5 1,6 1,3 1,6 1,2 1,4
diefstal uit telefooncel/-automaat* – 1,2 1,0 1,1 2,3 2,3
diefstal op school
* – 6,5 8,4 7,2 10,1 7,2
betrokken bij vechtpartijen/rellen* – 6,7 8,8 11,6 14,7 –
iemand met een wapen verwonden
* – 0,6 0,4 0,4 1,1 1,4
dragen van een wapen** – – 12,8 20,5 21,5 –
bedreiging om geld te krijgen
** – – 0,4 0,3 0,5 0,3

1 of meer ‘oorspronkelijke"delicten 34,5 38,2 38,2 37,8 40,2 37,3

*   n : in 1988: 994; in 1990: 1.006; in 1992: 1.038; in 1994: 1.085; in 1996: 1.083; in 1998: 1.099.
  Teneinde vergelijking mogelijk te maken zijn winkeldiefstallen met een waarde van minder dan f 10,– en die van meer dan f 10,– samengevoegd.
*  Dit delict ontbrak in de enquête van 1988 en is niet meer meegenomen in 1998.
****   Dit delict ontbrak in de enquêtes van 1988 en 1990.
Bron: Kruissink & Essers (2001)

Naar tien strafbare feiten is in alle metingen op identieke wijze gevraagd (zwartrijden, graffiti, iemand lastig vallen, vernieling, winkeldiefstal, brandstichting, heling, fietsendiefstal, iemand in elkaar slaan en inbraak/insluiping). Dit levert een totaalscore of index op. Deze totaalscore is vrij stabiel. Door de jaren heen geeft rond de 38% van de jongeren aan dat zij zich in het aan de meting voorafgaande jaar schuldig hebben gemaakt aan één of meer van genoemde feiten. Dit is aanzienlijk meer dan de 4% die jaarlijks in aanraking komt met de politie. Voor een deel heeft dit te maken met het feit dat het bij zelfrapportage om gedragingen gaat die niet ter kennis van de politie komen. Het gaat echter ook om categorieën gedragingen waarmee de politie zich niet echt serieus bemoeit. Een goed voorbeeld hiervan is zwartrij-den. Met ongeveer 16% is dit sinds jaar en dag het door jongeren meest genoemde feit. In 1998 kwam hiervan volgens de jongeren zelf slechts 2% ter kennis van de politie. Andere veel gerapporteerde gedragingen zijn graffiti, vernieling, iemand lastig vallen, diefstal op school en winkeldiefstal.

Na de meting van 1996 werd bij een aantal strafbare feiten sprake een weliswaar geringe, maar toch constante toename geconstateerd ( Van der Laan, Essers, Huijbregts & Spaans, 1998). Dat gold onder meer voor gewelddadige of ‘geweld-gerelateerde’ feiten als iemand lastig vallen, iemand in elkaar slaan, betrokkenheid bij vechtpartijen of rellen, iemand met een wapen verwonden, een wapen dragen en iemand bedreigen om aan geld te komen. Die opgaande trend lijkt in de laatste meting niet te zijn doorgezet. Hierbij past de kanttekening dat in 1998 niet gerapporteerd is over wapenbezit en betrokkenheid bij vechtpartijen of rellen. In 1996 gaf ruim 21% van de respondenten aan (wel eens) een wapen bij zich te dragen en bijna 15% betrokken te zijn geweest bij vechtpartijen of rellen.

4. Aard jeugdcriminaliteit
Op grond van politiecijfers en zelfrapportage-onderzoek kan met enig vertrouwen worden geconcludeerd dat de jeugdcriminaliteit de laatste jaren redelijk stabiel is, zij het op een (flink) hoger niveau dan eind jaren tachtig. In de politiecijfers komen soms scherpe stijgingen voor – zoals in 1996–, maar deze zijn vooral kunstmatig van aard. Toch hebben zich in de jaren negentig veranderingen voorgedaan. Een van die veranderingen heeft betrekking op de aard van de door jeugdigen gepleegde criminaliteit. Het merendeel van de jongeren wordt aangehouden vanwege een vermogensdelict; slechts een minderheid voor een geweldsdelict. Dat is altijd zo geweest, maar de laatste jaren neemt het aandeel vermogensdelicten af en dat van de geweldsdelicten toe (zie figuur 2).

In 1980 werd ruim twee derde van de jongeren gehoord in verband met een vermogensdelict, 21% voor een feit in de categorie vernieling en openbare orde en gezag en 5% voor een geweldsdelict tegen personen. Onder geweldsdelicten vallen ook vermogensdelicten waarbij geweld is gebruikt of gedreigd is met geweld. In 2001 gaat het in minder dan de helft (48%) van de gevallen om een vermogensdelict en is het aandeel geweldsdelicten meer dan verviervoudigd (22%). De categorie vernieling en openbare orde en gezag is vrijwel op hetzelfde niveau gebleven.

De geregistreerde geweldscriminaliteit betreft in ruim de helft van gevallen mishandeling (56%) en in ruim een vijfde diefstal met geweld en afpersing (22%). In een kleine 14% gaat het om misdrijven tegen leven en persoon – voornamelijk bedreiging – en in een kleine 8% om zedendelicten. Deze onderverdeling is door de jaren heen grotendeels hetzelfde gebleven. De toename van geweldsdelicten is terug te zien in alle categorieën.

Figuur 2 Verdeling minderjarige verdachten

De toename van geweldsdelicten wordt soms toegeschreven aan een grotere maatschappelijke gevoeligheid voor geweld. Bepaalde gedragingen worden eerder als bedreigend en gewelddadig beschouwd en er wordt sneller aangifte van gedaan. Ook zouden sommige feiten tegenwoordig als een geweldsdelict worden beschouwd, terwijl die in het verleden als ‘eenvoudig’ vermogensdelict of feit tegen openbare orde en gezag zouden zijn opgevat. Toch kan hiermee niet de totale toename van de geregistreerde geweldscriminaliteit worden ‘wegverklaard’ ( Bol et al., 1998; De Haan et al., 1999).
De trend in de richting van meer geweld wordt bevestigd door zelfrapportage-onderzoek. Weliswaar is deze methode minder betrouwbaar als het gaat om ernstige vormen van criminaliteit, maar in zelfrapportage-onderzoek opgenomen strafbare feiten die op de een of andere wijze te maken hebben met of verwijzen naar geweld – iemand lastig vallen, iemand in elkaar slaan, iemand met een wapen verwonden, betrokkenheid bij vechtpartijen en het dragen van een wapen –, zijn tot en met de meting van 1996 in toenemende mate genoemd ( Van der Laan et al., 1998).

5. Kenmerken van jeugdige delinquenten
Over vier kenmerken van jeugdige delinquenten vallen met grote regelmaat uitspraken te beluisteren: leeftijd, geslacht, etnische achtergrond en, de laatste tijd, samenplegen. De teneur luidt kort gezegd: jeugdige delinquenten worden jonger, steeds meer meisjes maken zich schuldig aan criminaliteit, allochtone jongeren zijn bovenmatig betrokken bij criminaliteit en veel criminaliteit wordt gepleegd in groepen. Dergelijke uitspraken kunnen slechts ten dele op hun merites worden beoordeeld aan de hand van de CBS-statistieken en zelfrapportage-onderzoek. In de politiecijfers wordt wel onderscheid gemaakt naar geslacht, maar niet naar leeftijd en etnische achtergrond. Of delicten alleen of samen met anderen zijn gepleegd, vinden we daar evenmin in terug. Het zelfrapportage-onderzoek van het WODC biedt wel inzicht in geslacht, leeftijd en samenplegen, maar in verband met de omvang van de steekproef vallen geen conclusies te trekken over etnische achtergrond. In andere zelfrapportage-onderzoeken, zoals het Nationaal Scholierenonderzoek, zijn vanwege de grote omvang van de steekproef wel acceptabele aantallen allochtone jongeren opgenomen, maar is het aantal ‘delinquentie items’ beperkt.

5.1. Geslacht
De meeste door de politie gehoorde minderjarige verdachten zijn jongens: 84%. Het aandeel van meisjes is sinds het begin van de jaren tachtig, toen het op zo"n 10% lag, wel iets gegroeid, maar die groei heeft zich in de tweede helft van de jaren negentig niet doorgezet. Aanvankelijk hadden meisjes met 7% in de jaren tachtig een nog kleiner aandeel in de (geregistreerde) geweldsdelicten. In de tweede helft van de jaren negentig nam dat toe tot ruim 13% en 16% in 2001. De absolute stijging was allesbehalve gering. In 1980 werden 140 meisjes gehoord in verband met een geweldsdelict; in 2001 waren dat er 1.600. Meer dan bij jongens gaat het bij meisjes om mishandeling; in 2000 betrof 80% van alle aanhoudingen een geweldsdelict mishandeling (bij jongens ca. 54%). Bij diefstal met geweld en afpersing ligt dat met 10% veel lager (bij jongens 30%).

Zelfrapportage laat een ander beeld zien. Bij feiten als zwartrijden, winkeldiefstal en graffiti is het verschil tussen jongens en meisjes klein. Bij de meer ‘klassieke’, ernstiger delicten, zoals inbraak en geweldsdelicten, zijn de verschillen groot. Jeugdcriminaliteit is dus vooral een jongensaangelegenheid. Weliswaar zien we bij meisjes, net als bij jongens, tot het midden van de jaren negentig een forse groei in het aantal geregistreerde geweldsdelicten – en wellicht ook met ingang van 2001, maar dat meisjes bezig zouden zijn met een inhaalslag wordt noch door de politiecijfers, noch door zelfrapportage ondersteund ( Mertens, Grapendaal & Docter-Schamhardt, 1998).

5.2. Leeftijd
De CBS-statistieken over gehoorde verdachten maken wel onderscheid naar strafrechtelijk minderjarigen en meerderjarigen, maar differentiëren niet verder naar leeftijd. Het is daarom niet bekend hoeveel 12- of 13-jarigen zijn aangehouden, maar bijvoorbeeld ook niet hoeveel 20- of 55-jarigen. Het is daarom moeilijk na te gaan in hoeverre de politie steeds jongere kinderen aanhoudt. De laatste jaren wordt herhaaldelijk bericht dat de leeftijd waarop jongeren beginnen met het plegen van delicten daalt. Daarbij wordt ook gewezen op de zogenoemde 12-minners, de kinderen die, omdat zij jonger zijn dan 12 jaar, niet strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. Om vast te stellen of deze verjonging werkelijk plaatsvindt, is men aangewezen op zelfrapportage-onderzoek. Daaruit komt steeds opnieuw naar voren dat het percentage jongeren dat zegt zich aan een of meer strafbare feiten schuldig te hebben gemaakt onder 15-, 16- en 17-jarigen met 46% duidelijk hoger ligt dan bij 12-jarigen (20%) of 13-jarigen (23%). De percentages fluctueren van jaar tot jaar, maar er is geen oplopende trend, dat wil zeggen oplopende percentages, wellicht met uitzondering van de 15-jarigen. In de WODC-onderzoeken wordt altijd gevraagd op welke leeftijd zij een bepaald feit voor het eerst begingen; ook daar tekent zich vooralsnog geen verjonging af.

In 1994 is zelfrapportage-onderzoek uitgevoerd onder 8- t/m 11-jarigen en 18- t/m 24-jarigen ( Van der Laan, Spaans, Essers & Essers, 1997). Daaruit kwam, weinig verrassend, naar voren dat de jongsten veel minder delinquent gedrag rapporteerden dan de 12- t/m 17-jarigen en de oudsten over het geheel genomen in dezelfde mate, maar wel deels andere feiten. Dit onderzoek is echter sindsdien niet herhaald, zodat het gissen blijft naar trendmatige ontwikkelingen. Berichten over verjonging kunnen niet worden bevestigd of ontkend. Hetzelfde geldt uiteraard voor eventuele ‘veroudering’. Dit alles neemt niet weg dat het zwaartepunt bij jeugdcriminaliteit ligt bij 16- en 17-jarigen ( Meeus, De la Rie, Luijpers & De Wilde, 2001).

5.3. Allochtone jongeren
De politiestatistieken van het CBS geven geen inzicht in aantallen allochtone jongeren die met de politie in aanraking komen. Op grond van eenmalige onderzoeken in een aantal politieregio’s, waarbij gebruik is gemaakt van gegevens uit het Herkenningsdienst Systeem (HKS) van de politie, is bekend dat sommige groepen allochtone jongeren een – soms wel zes maal – groter aandeel hebben in het totaal aantal aangehouden jeugdigen dan op grond van hun aandeel in de jeugdbevolking zou mogen worden verwacht ( Junger, Wittebrood & Timman, 2001; Leuw, 1997). Dat geldt voor jonge Marokkanen en Antillianen en in mindere mate ook voor Surinamers. Turkse jongeren onderscheiden zich niet van autochtone Nederlandse jongeren. Marokkaanse en Antilliaanse jongeren worden naar verhouding ook vaak aangehouden in verband met geweldsdelicten. Niet duidelijk is echter hoe zich dit in de loop der jaren heeft ontwikkeld. Anders dan bij de leeftijdskwestie biedt het zelfrapportage-onderzoek van het WODC geen soelaas. De steekproef in het WODC-onderzoek is klein waardoor slechts kleine aantallen allochtone jongeren participeren. Daar komt bij dat de betrouwbaarheid van deze onderzoeksmethode bij sommige etnische groepen minder is en er vaker sprake is van onderrapportage ( Junger, 1990). In het Nationaal Scholierenonderzoek rapporteren zowel allochtone jongens als allochtone meisjes (Surinaams, Antilliaans, Turks en Marokkaans) naar verhouding meer betrokkenheid bij geweld. Bij andere typen delicten is het beeld wisselend. De oververtegenwoordiging van allochtone jongeren in zowel politiecijfers als zelfrapportage kan voor een deel worden verklaard door demografische en sociaal-economische achtergrondgegevens (leeftijdopbouw, achterstandsituatie, wonen, opleiding, werk, enzovoorts), maar als daarvoor is gecontroleerd blijft die groep oververtegenwoordigd.

Een nieuwe ‘allochtone’ aandachtsgroep wordt gevormd door jonge asielzoekers en vluchtelingen. Vertegenwoordigers van politie en justitie uiten de laatste tijd hun bezorgdheid over deze jongeren. Sommigen zouden betrokken zijn bij ernstige en tot op zekere hoogte georganiseerde criminaliteit en voor de nodige overlast zorgen. Een recente verkenning op basis van onder meer politiegegegens uit HKS bevestigt deze indruk ( Kromhout & Van San, 2003).

5.4. Samenplegen
Jeugdigen plegen delicten zelden alleen, maar meestal met een of meer anderen ( Hakkert, Van Wijk, Ferwerda & Eijken, 1998; Meeus et al., 2001; Weerman, 2001a). In politiecijfers is dit niet terug te zien, maar zelfrapportage-onderzoek maakt daar wel melding van. Het wordt ook duidelijk als strafdossiers worden geraadpleegd. Aangenomen mag worden dat tussen de 60 en 90% van de jeugdcriminaliteit wordt gepleegd door groepen van twee of meer jongeren. Of jongeren tegenwoordig meer dan vroeger delicten in groepsverband plegen is niet duidelijk.

Het aspect van samenplegen of groepscriminaliteit is lang buiten beeld gebleven, voornamelijk als gevolg van het feit dat het justitieel systeem individu-georiënteerd is ( Schuyt, 1993). De laatste jaren is er meer aandacht voor. Onderzoek van Beke en Kleiman (1993) naar zogenoemde Harde Kern-jongeren maakte duidelijk dat een betrekkelijk kleine groep jongeren in de leeftijd van 15 tot 25 jaar met elkaar veel en vaak zware (gewelds-)delicten pleegt. Zij worden omgeven door een grotere groep ‘meelopers’, die weliswaar aanzienlijk minder delicten plegen, maar niettemin het risico lopen in de harde kern ‘gezogen’ te worden. Tegenwoordig wordt onder meer bestudeerd of jeugdgroepen wel of niet gericht zijn op het plegen van delicten en daaraan hun (groeps-) identiteit ontlenen ( Beke, Van Wijk & Ferwerda, 2000; Gruter, Baas & Vegter, 1996). De aanvankelijke reserves tegen een ‘Amerikaanse bende-achtige’ benadering zijn afgenomen, maar dat laat onverlet dat groepen klein zijn – vaak niet meer dan twee of drie jongeren – en de samenstelling van deze groepen sterk wisselt en doorgaans tamelijk toevallig tot stand komt ( Weerman, 2001a).

5.5. Andere kenmerken
Jeugdcriminaliteit als probleemgedrag staat niet op zichzelf. Uit zelfrapportage-onderzoek komt naar voren dat twee derde van de ondervraagde jongeren regelmatig alcohol gebruikt en ruim 8% softdrugs. Er blijkt een duidelijk verband te bestaan tussen alcohol- en druggebruik en criminaliteit. Bij iedere meting wordt het verschil tussen jongeren die wel en jongeren die geen alcohol en drugs gebruiken groter. In 1998 maakte 58% van de jongeren die meer dan een keer per week alcohol gebruiken zich schuldig aan strafbare feiten tegen 36% van de jongeren die minder dan een keer per week gebruiken en 16% van de jongeren die geen alcohol nuttigen. Van de jongeren die softdrugs gebruiken, rapporteerde 73% delicten te hebben gepleegd tegen 34% van de niet-gebruikers.

Iets vergelijkbaars is te zien bij probleemgedrag als spijbelen en pesten. In het laatste zelfrapportage-onderzoek rapporteerde bijna twee derde van de spijbelaars en minder dan eenderde van de niet-spijbelaars een of meer strafbare feiten te hebben gepleegd. Van de jongeren die regelmatig of incidenteel andere leerlingen pesten, rapporteert meer dan de helft strafbare feiten. Bij jongeren die zeggen niet te pesten, is dat ruim een kwart. Jongeren die regelmatig worden gepest, lijken minder vaak betrokken te zijn bij criminaliteit.

Hoewel jeugdcriminaliteit vooral in de (grote) steden hoog is, betekent dit niet dat het op het platteland niet zou voorkomen. Dat blijkt uit politiegegevens en uit zelfrapportage-onderzoek ( Kruissink & Essers, 2001; Meeus et al., 2001). Jongeren uit de (grote) steden rapporteren meer criminaliteit, maar het verschil met jongeren van het platteland is niet groot: in 1998 respectievelijk 45% en 37%. In vergelijking met eerder zelfrapportage-onderzoek worden de verschillen tussen stad en platteland kleiner.

6. Verklaringen voor jeugdcriminaliteit
Recente theorieën in de criminologie combineren psychologische en sociologische inzichten. Oorzaken van of verbanden met criminaliteit worden gezocht in persoons- en persoonlijkheidskenmerken én in omgevingskenmerken. Bij omgevingskenmerken gaat het om uiteenlopende aspecten als de woonomgeving of de buurt, de betekenis van leeftijdgenoten, de relevantie van gezin en opvoeding of de invloed van school. Enkele theorieën duiken met grote regelmaat op: in de eerste plaats de bindingen- of controletheorie en in mindere mate ook de leertheorie (differentiële associatietheorie) en de spannings- of straintheorie.

De bindingen of controletheorie, in de ontwikkeling waarvan de Amerikaan Hirschi een belangrijke rol heeft gespeeld, veronderstelt dat de bindingen die iemand heeft met de samenleving, via thuis, de school, de vriendenkring, enzovoorts, ertoe bijdragen dat men zich houdt aan de algemeen erkende normen van de samenleving (zie voor een overzicht: Weerman, 2001b). Gebrekkige of afkalvende bindingen of (zelf)controle vergroten de kans op maatschappelijk deviant (delinquent) gedrag. Overigens kunnen belangrijke gebeurtenissen in iemands leven deze bindingen betrekkelijk plotseling, maar blijvend veranderen in positieve of negatieve richting. Dat deze theorie in ons land sinds het midden van de jaren tachtig zo breed is omarmd, heeft veel te maken met de aanknopingspunten die zij biedt voor de ontwikkeling van een criminaliteitspreventiebeleid. Versterking van binding met de samenleving en bevordering van (zelf)controle kunnen uitgewerkt worden in initiatieven, die uiteenlopen van intensiever functioneel toezicht op straat, in het openbaar vervoer en dergelijke, het aanspreken van ouders op hun opvoedingsverantwoordelijkheid, versterking van de school als instrument voor maatschappelijke integratie en de introductie van taakstraffen die positieve contacten met de samenleving herstellen.

Leertheorieën gaan ervan uit dat crimineel gedrag geleerd wordt. Een verbijzondering hiervan, de ‘differentiële associatietheorie’ ontwikkeld door Sutherland, impliceert dat in de omgang met anderen, waarbij vooral het gezin en de vriendenkring zeer belangrijk zijn, gedragingen maar ook positieve en negatieve houdingen ten aanzien crimineel gedrag worden geleerd en versterkt (zie voor een overzicht: Bruinsma, 2001). Vanwege de betekenis van leeftijdgenoten voor gedrag en de recente uitwerking in bestudering van netwerken en netwerkrelaties, wordt deze theorie beschouwd als een belangrijke aanvulling voor het begrijpen van jeugdcriminaliteit. Voor een preventiebeleid biedt deze benadering minder concrete aanknopingspunten.

Meer perspectief biedt de rationale keuzetheorie(rational choice) (zie voor een overzicht: Kleemans, 2001). Uitgangspunt is dat crimineel gedrag verklaard kan worden door verschillen in gedragsmogelijkheden en gedragsbeperkingen. Er wordt een afweging gemaakt tussen de kosten en de baten van crimineel gedrag. Simpel gezegd: wat levert het op tegen welke kosten (bijvoorbeeld de kans om aangehouden te worden). Ook de gelegenheid om een delict te kunnen plegen wordt meegewogen (zwartrijden is simpeler als er geen toegangscontrole is en extra hang- en sluitwerk bemoeilijkt inbraak). In deze benadering krijgt ook afschrikking of dreiging met straf een plaats. Als die dreiging als groot wordt ervaren, zal de jongere afzien van crimineel gedrag.

De ‘spannings - of straintheorie’, met Merton als een van de grondleggers, verklaart crimineel gedrag uit de spanning die bestaat tussen de eisen die de maatschappij stelt en de individuele onmogelijkheden om aan die eisen te kunnen voldoen. Als aan individuele aspiraties, wensen en behoeften, bijvoorbeeld door maatschappelijke ongelijkheid, niet op legitieme wijze tegemoet kan worden gekomen, wordt gegrepen naar niet-legale manieren (zie voor een overzicht: Nijboer, 2001). Deze benadering wordt vooral aangegrepen om criminaliteit onder allochtone jongeren te verklaren.

Betrekkelijk nieuw is de zogenoemde dual taxonomy of het twee paden-model van Moffitt (zie voor een overzicht: Van Koppen, Van Doorn, Donker & Pakes, 2001). Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar persistente ( life-course-persistent) delinquentie en adolescentiegebonden ( adolescence- limited) delinquentie. De eerste categorie betreft een kleine groep (naar schatting 5%) die al op zeer jonge leeftijd probleemgedrag vertoont en delicten en daarmee ook later doorgaat. De oorzaak van hun crimineel gedrag is gelegen in een combinatie van biologische, psychologische en sociale factoren. De tweede groep is aanzienlijk groter en pleegt delicten uitsluitend gedurende de adolescentiefase. De oorzaak is voornamelijk gelegen in sociale factoren, zoals onvrede met hun nog onvolwassen status en imitatie van het gedrag van persistent delinquente leeftijdsgenoten. Het probleemgedrag van de eerste groep is stabiel gedurende de levensloop, dat van de tweede groep niet.

Onlangs heeft Farrington (2003) de meest recente inzichten geïntegreerd in een ontwikkelings- en levensloop criminologie ( developmental and life-course criminology), waarin rekening wordt gehouden met de levensloop en de verschillende ontwikkelingspaden van mensen. Bijzondere gebeurtenissen en combinaties van gebeurtenissen en omstandigheden kunnen de levensloop beïnvloeden en daarmee ook bijdragen aan het ontstaan, de voortzetting of het beëindigen van een criminele carrière. Een bijzondere plaats is ingeruimd voor zogenoemde risicofactoren, dat wil zeggen factoren waarvan uit onderzoek is gebleken dat zij samenhangen met criminaliteit en ander probleemgedrag. Deze risicofactoren vinden hun oorsprong in verschillende domeinen zoals persoon, gezin, school, vrienden en leeftijdgenoten en samenleving en buurt ( Hawkins, Herrenkohl, Farington, Brewer, Catalano & Harachi, 1998). Niet een afzonderlijke risicofactor, maar de cumulatie van risicofactoren is doorslaggevend. De kans dat jongeren een ernstige en soms ook gewelddadige criminele carrière ontwikkelen neemt exponentieel toe naarmate zij geconfronteerd worden met een toenemend aantal risicofactoren. Er zijn echter ook factoren – beschermende of protectieve factoren genoemd – die de kans op probleem- en crimineel gedrag tegengaan. Zij neutraliseren of compenseren voor de eventueel aanwezige risicofactoren en bevorderen niet-problematisch, prosociaal gedrag. Te denken valt aan ouders die zeer kundige opvoeders zijn en zo bepaalde risicofactoren weerstand bieden. Criminaliteitspreventie zal zich bij uitstek moeten richten op het tegengaan (tijdig ingrijpen) van risicofactoren en het bevorderen of versterken van beschermende of protectieve factoren.

6.1. Integratie
De ontwikkelings- of levensloopbenadering doet steeds meer opgeld. Omdat zowel de relevantie van persoonlijke kenmerken als omgevingskenmerken erkend wordt en bovendien plaats is ingeruimd voor specifieke gebeurtenissen en ontwikkelingsfasen, is er ook meer oog voor individuele en groepsverschillen, voor verschillende vormen van (jeugd-)criminaliteit en voor het feit dat (veel) jeugdcriminaliteit tijdelijk van karakter is. Gesproken zou kunnen worden van een geïntegreerde (jeugd-)criminologische theorie. Deze theorie biedt praktijk en beleid veel aanknopingspunten voor de ontwikkeling van adequate, veelbelovende preventiemaatregelen en interventies, die zo mogelijk op maat kunnen worden gesneden. Niet alles hoeft opnieuw bedacht te worden; er kan ook worden geput uit de mogelijkheden van beperktere theorieen, die zich reeds hebben bewezen.

7. Specifieke verklaringen voor jeugdcriminaliteit
Vanwege de integratie van verschillende invalshoeken in één theorie biedt de ontwikkelings- en levensloopbenadering verklaringsmogelijkheden voor zowel algemene als specifiekere vormen van jeugdcriminaliteit. Sommige van de eerder genoemde ontwikkelingen op het terrein van jeugdcriminaliteit vragen evenwel om aanvullende verklaringen. Hoe is bijvoorbeeld de toename van geweldscriminaliteit te begrijpen, of de toegenomen betrokkenheid van meisjes en allochtone jongeren?

7.1. Geweld
Grotere maatschappelijke gevoeligheid voor criminaliteit in het algemeen en geweld in het bijzonder verklaart niet alles. Dat geweldscriminaliteit samenhangt met persoonlijke factoren en omgevingsfactoren staat niet ter discussie ( Bol et al., 1998; De Haan et al., 1999; Loeber, Slot & Sergeant, 2001). Ook biologische factoren worden tegenwoordig niet langer uitgesloten. Maar hoe deze verschillende factoren werken, elkaar beïnvloeden en de mogelijk autonome toename van geweld verklaren, is nog niet duidelijk. Gewezen wordt op veranderende gezagsverhoudingen in de samenleving en veranderende relaties tussen opvoeders (ouders, leerkrachten, volwassenen) en jongeren. Maar ook de niet altijd consequente handhaving van normen, toenemend gebruik van genotsmiddelen en andere, minder gestructureerde manieren om de vrije tijd door te brengen, worden geopperd als verklaring waarom sommige jongeren geweldsdelicten plegen en anderen niet. Tenslotte wordt gewezen op de toename van geweld in de media (televisie, film, computerspelletjes). Dat hiervan een negatieve invloed uit kan gaan wordt onderkend, maar vooralsnog is onduidelijk hoe dit werkt en waarom bij sommige jongeren wel en bij zoveel anderen niet.

7.2. Meisjes
De toegenomen betrokkenheid van meisjes bij criminaliteit roept eveneens vragen op ( Mertens et.al., 1998). De samenhang met emancipatie wordt weersproken met het argument dat meisjes die door de politie worden aangehouden meestal tot die bevolkingsgroepen horen, waar emancipatie nog niet zo erg van de grond is gekomen. Gegeven het feit dat uit zelfrapportage-onderzoek geen stijging blijkt, ligt het meer voor de hand aan te nemen dat het stijgend aantal door de politie gehoorde meisjes eerst en vooral het gevolg is van grotere maatschappelijke gevoeligheid voor jeugdcriminaliteit, grotere oplettendheid en dientengevolge meer aanhoudingen. In die zin lijkt de situatie gelijk aan die rond geweldscriminaliteit.

7.3. Allochtone jongeren
Over de oververtegenwoordiging van allochtone jongeren is veel geschreven. Deze zou het gevolg kunnen zijn van selectieve bejegening van allochtone jongeren door politie en justitie. Maar hoewel er wel aanwijzingen zijn dat allochtone jongeren soms zwaardere straffen krijgen dan autochtone jongeren, is selectiviteit bij politie en justitie moeilijk aan te tonen ( Bovenkerk, De Haan & Yesilgöz, 1991). Een andere leeftijdsopbouw en de over het algemeen zwakkere sociaal-economische positie van allochtone groepen in ons land spelen ongetwijfeld een rol, maar verklaren de oververtegenwoordiging niet ten volle. Er wordt daarom ook gewezen op de relevantie van gelegenheidsstructuren, opvattingen over normen en waarden, cultuurconflicten, opvoedingspatronen, buurtomstandigheden, enzovoorts ( Bovenkerk, 1994; Junger et al., 2001).

8. Ter afsluiting
Onderzoek wijst niet uit dat de jeugd in Nederland steeds crimineler wordt. Natuurlijk, er worden door jongeren strafbare feiten gepleegd, maar in de meeste gevallen zijn deze niet al te ernstig. Een positieve bijkomstigheid is dat het overgrote deel van de jongeren dat wel eens delicten pleegt, er vrij snel, dat wil zeggen na een paar jaar, weer mee ophoudt. De criminele overlast veroorzaakt door jongeren is dan ook geringer dan alle discussies, nota"s en niet te vergeten al het onderzoek suggereren. Dat neemt niet weg dat bepaalde aspecten nadere aandacht verdienen.

Allereerst de toename van door jongeren gepleegde geweldscriminaliteit. Deze is wellicht minder sterk dan uit de politiecijfers naar voren komt, maar niettemin substantieel en in die zin reden tot zorg. Eveneens toegenomen is de betrokkenheid bij criminaliteit van meisjes. Toch is die nog steeds veel geringer en ook minder ernstig van karakter dan die van jongens. Problematisering van meisjescriminaliteit lijkt dan ook niet op zijn plaats. Anders ligt dat bij allochtone jongeren. Jeugdcriminaliteit wordt steeds vaker in verband gebracht met allochtone jongeren. Zij zijn oververtegenwoordigd in de politiestatistieken, zij het niet voor iedere allochtone groep in dezelfde mate. Het feit dat deze oververtegenwoordiging niet kan worden ‘wegverklaard’ onder verwijzing naar bijvoorbeeld sociaal-economische achtergrond, maakt dat dit verschijnsel extra aandacht verdient.

Jongeren plegen criminaliteit zelden alleen. Jeugdcriminaliteit is derhalve vooral groepscriminaliteit. De groepen zijn echter meestal betrekkelijk klein (twee tot drie jongeren) en wisselend van samenstelling. In dat licht bezien is groepscriminaliteit niet al te problematisch. Dat is wel het geval als jongeren samen optrekken met het oogmerk rottigheid uit te halen en criminaliteit te plegen. Dat neigt naar bendevorming of de ontwikkeling van problematische jeugdgroepen.

Literatuur
1. American Psychiatric Association (1994). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (fourth edition). Washington DC: Author.
2. Beke, B., & Kleiman, M. (1993). De harde kern in beeld. Utrecht: SWP.
3. Beke, B.M.W.A., Wijk, A.Ph. van, & Ferwerda, H.B. (2000). Jeugdcriminaliteit in groepsverband ontrafeld. Tussen rondhangen en bendevorming. Uitrecht: SWP.
4. Bol, M.W., Terlouw, G.J., Blees, L.W., & Verwers, C. (1998). Jong en gewelddadig. Den Haag: WODC (Onderzoek en Beleid 174).
5. Bovenkerk, F. (1994). Over de oorzaken van de criminaliteit van allochtone jongeren. In Met de neus op de feiten, rapport van de Commissie Jeugdcriminaliteit (pp. 51-61). Den Haag: Ministerie van Justitie.
6. Bovenkerk, F., Haan, W. de, & Yesilgöz, Y. (1991). Over selectiviteit gesproken! Tijdschrift voor Criminologie, 33 (3), 309-321.
7. Bruinsma, G.J.N. (2001). Differentiële associatie en sociaal leren. In E. Lissenberg, S. van Ruller, & R. van Swaaningen (red.), Tegen de regels IV. Een inleiding in de criminologie (pp. 119-133). Nijmegen: Ars Aequi Libri.
8. Eggen, A.Th.J., Kruissink, M., Panhuis, P. van, & Blom, M. (2003). Criminaliteit en opsporing. In W. van der Heide & A.Th.J. Eggen (red.), Criminaliteit en rechtshandhaving 2001 (pp. 81-108). Den Haag / Meppel: CBS / WODC / Boom (Onderzoek en Beleid 211).
9. Farrington, D.P. (2003). Developmental and life-course criminology: key theoretical and empirical issues – The 2002 Sutherland Award Address. Criminology, 41 (2), 221-256.
10. Gruter, P.M.G., Baas, M., & Vegter, D. (1996). Problematische jeugdgroepen in de regio Haaglanden. Den Haag: Politie Haaglanden, Bureau Analyse en Research.
11. Haan, W.J.M. de, Bie, E.F.A.E. de, Baerveldt, C., Bouw, C., Doreleijers, Th.A.P.H., Ferwerda, H.B., Hermanns, J.M.A., & Laan, P.H. van der (1999). Jeugd & geweld. Een interdisciplinair perspectief. Assen: Van Gorcum.
12. Hakkert, A., Wijk, A. van, Ferwerda, H., & Eijken, T. (1998). Groepscriminaliteit. Den Haag: Ministerie van Justitie, Directie Preventie, Jeugd en Sanctiebeleid.
13. Hawkins, J.D., Herrenkohl, T., Farrington, D.P., Brewer, D., Catalano, R.F., & Harachi, T.W. (1998). A review of predictors of youth violence. In R. Loeber & D.P. Farrington (Eds.), Serious & violent juvenile offenders. Risk factors and successful interventions (pp. 106-146). Thousand Oaks / London / New Delhi: Sage.
14. Junger, M. (1990). Delinquency and ethnicity. Deventer / Boston: Kluwer Law and Taxation Publishers.
15. Junger, M., Wittebrood, K., & Timman, R. (2001). Etniciteit en ernstig en gewelddadig crimineel gedrag. In R. Loeber, N.W. Slot & J.A. Sergeant (red.), Ernstige en gewelddadige jeugddelinquentie. Omvang, oorzaken en interventies (pp. 97-127) . Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
16. Junger-Tas, J., & Haen-Marshall, I. (1999). The self-report methodology in crime research. In M. Tonry (Ed.), Crime and justice. A review of research (pp. 291-367). Chicago / London: The University of Chicago Press.
17. Koppen, P.J. van , Doorn, I.C. van, Donker, A.G., & Pakes, F. (2001). Psychologische benaderingen. In E. Lissenberg, S. van Ruller, & R van Swaaningen (red.), Tegen de regels IV. Een inleiding in de criminologie (pp. 93-117). Nijmegen: Ars Aequi Libri.
18. Kleemans, E. (2001). Rationele keuzebenaderingen. In E. Lissenberg, S. van Ruller & R. van Swaaningen (red.), Tegen de regels IV. Een inleiding in de criminologie (pp. 153-170). Nijmegen: Ars Aequi Libri.
19. Kromhout, M., & San, M. van (2003). Schimmige werelden. Nieuwe etnische groepen en jeugdcriminaliteit. Den Haag/Meppel: WODC/Boom (Onderzoek en Beleid 206).
20. Kruissink, M., & Essers, A.A.M. (2001). Ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit: periode 1980-1999. Den Haag: WODC (Onderzoeksnotities 2001/3).
21. Laan, P.H. van der, Spaans, E.C., Essers, A.A.M., & Essers, J.J.A. (1997). Jeugdcriminaliteit en jeugdbescherming. Ontwikkelingen in de periode 1980-1994. Den Haag: WODC.
22. Laan, P.H. van der, Essers, A.A.M., Huijbregts, G.L.A.M., & Spaans, E.C. (1998). Ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit: periode 1980-1996. Den Haag: WODC (Onderzoeksnotities 1998/5).
23. Leuw, E. (19997). Criminaliteit en etnische minderheden. Een criminologische analyse. Den Haag: WODC.
24. Loeber, R., Slot, N.W., & Sergeant, J.A. (2001). Mythen ontmaskerd; verbanden tussen ontwikkeling, risicofactoren en interventies. In R. Loeber, N.W. Slot & J.A. Sergeant (red.), Ernstige en gewelddadige jeugddelinquentie. Omvang, oorzaken en interventies (pp. 345-355). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
25. Meeus, W., Rie, S.M. de la, Luijpers, E., & Wilde, E.J. de (2001). De harde kern; ernstige, gewelddadige en persistente jeugdcriminaliteit in Nederland. In R. Loeber, N.W. Slot & J.A. Sergeant (red.), Ernstige en gewelddadige jeugddelinquentie. Omvang, oorzaken en interventies (pp. 51-71). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
26. Mertens, N.M., Grapendaal, M., & Docter-Schamhardt, B.J.W. (1998). Meisjescriminaliteit in Nederland. Den Haag: WODC (Onderzoek en Beleid 169).
27. Met de neus op de feiten (1994). Rapport van de Commissie Jeugdcriminaliteit (Commissie Van Montfrans). Den Haag: Ministerie van Justitie.
28. Nijboer, J.A. (2001). Spanningsbenaderingen. In E. Lissenberg, S. van Ruller & R. van Swaaningen (red.), Tegen de regels IV. Een inleiding in de criminologie (pp. 191-205). Nijmegen: Ars Aequi Libri.
29. Peeters, J. (2000). Antisociale jongeren. Leuven/Apeldoorn: Garant.
30. Schuyt, C.J.M. (1993). Jeugdcriminaliteit in groepsverband. Delikt en delinkwent, 23, (6), 499-510.
31. Verhulst, F.C., Donker, A.G., & Hofstra, M.B. (2001). De ontwikkeling van antisociaal gedrag. In R. Loeber, N.W. Slot & J.A. Sergeant (red.), Ernstige en gewelddadige jeugddelinquentie. Omvang, oorzaken en interventies (pp. 155-170). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
32. Visie op politiële jeugdzorg (1997). Z.p., z.u..
33. Weerman, F. (2001a). Controlebenaderingen. In E. Lissenberg, S. van Ruller & R. van Swaaningen (red.), Tegen de regels IV. Een inleiding in de criminologie (pp. 135-152). Nijmegen: Ars Aequi Libri.
34. Weerman, F. (2001b). Samenplegen. Over criminele samenwerking en groepsvorming. Nijmegen: Ars Aequi Libri.

Bron: http://www.bsl.nl/corp/common/framecreator.asp?ak=welkom&ap=vakb&altp=http://vb23.bsl.nl/totalecollectie

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License