Lien B

Een ideetje als inleidend filmpje

Artikel:

Oppositioneel opstandig en antisociaal gedrag bij pubers (1)

Wibrich Bruyninckx
Psychopraxis, 05 (2003), p. 148-153

Trefwoorden:antisociale gedragsstoornis; oppositioneel opstandige gedragsstoornis; puberteit; opvoedingsproblemen ;

Oppositioneel opstandig en antisociaal gedrag bij pubers kan voor hun ouders, leraren en de gehele maatschappij een ‘overlast’ betekenen. Ook voor de jongere zelf zijn er potentieel schadelijke gevolgen, zelfs op lange termijn: een verhoogd risico op werkloosheid, criminaliteit, een slechte fysieke en geestelijke gezondheid… Het verschijnsel komt in niet geringe mate voor en het confronteert de hulpverleningswereld met een hardnekkige problematiek, waarbij de huidige behandelingen al te vaak tot povere resultaten leiden. Met voorliggend artikel wordt deze externaliserende gedragsproblematiek beschreven en inzichtelijk gemaakt. Er wordt een theoretisch model besproken dat handvatten aanreikt voor behandeling. Een volgend artikel zal ingaan op de behandeling zelf.

Inhoud:

• Het verschijnsel
• Ontstaan en ontwikkeling
• Diagnostiek
• Het hulpverleningsproces vanuit orthopedagogische invalshoek
• Tot slot

Het artikel is opgebouwd vanuit orthopedagogische invalshoek. In dit perspectief staat de term ‘opvoedingsproblemen’ centraal. Hieronder verstaat men dat het samen-zijn tussen enerzijds het kind/de jongere en anderzijds diens opvoeders niet meer vanzelfsprekend verloopt. De opvoeders ervaren het gedrag van het kind/de jongere als ‘storend’ (bijvoorbeeld bij het overtreden van regels, onbeleefd zijn en veel lawaai maken) en/of ze maken zich er zorgen om (bijvoorbeeld bij een depressieve stemming, weinig interesses en plezier, en beperkte sociale contacten).Men spreekt in deze context ook van een ‘problematische opvoedingssituatie’. Men vertrekt dus niet van een kind of van opvoeders met problemen; over schuld van deze of gene wordt niet gesproken. Wel ervaren één of meer personen de situatie als problematisch.

Het verschijnsel

Onder de term oppositioneel en opstandig gedrag wordt een verscheidenheid aan concrete gedragingen verstaan. Het betreft wel telkens een externaliserende symptomatologie: de jongere lijkt er zelf weinig last van te ondervinden, maar vooral de omgeving ervaart het als des te storend. Dergelijke gedragingen worden een ‘gedragsprobleem’ wanneer ouders, leerkrachten en andere personen oordelen, dat ze in strijd zijn met de algemeen maatschappelijke normen en/of wanneer deskundigen ze als problematisch beschouwen op basis van grondige diagnostiek. Ernstige gedragsproblemen worden ook ‘gedragsstoornissen’ genoemd. Ernst heeft betrekking op de frequentie, duur, omvang en gevolgen (psychische schade voor de jongere en/of zijn omgeving).
In de DSM-IV worden de termen conduct disorder en oppositional defiant disorder gebruikt. In het Nederlands spreekt men van een antisociale gedragsstoornis en een oppositioneel opstandige gedragsstoornis. Centraal bij het eerste is dat de jongere herhaaldelijk de grondrechten van anderen schendt of sociale normen en regels overschrijdt (bijvoorbeeld pesten, vernielen, diefstallen plegen, spijbelen, van huis weglopen…). Het tweede betreft negativistisch, vijandig en openlijk ongehoorzaam gedrag (uitdagend op school, ongehoorzaam gedrag, softdruggebruik…). Globaal genomen is de oppositioneel opstandige gedragsstoornis een mildere vorm van de antisociale, echter met een voorspellende waarde voor een latere ontwikkeling ervan. Omwille van de eenduidigheid wordt in het vervolg van dit artikel veelal de term problematisch storend gedrag gehanteerd. De lezer moet zich ervan bewust zijn dat deze term niet in de eerste plaats verwijst naar het ‘gezonde’ rebellerende gedrag van heel wat pubers. Het gaat hier vooral om gedrag datzonder behandeling langdurige gevolgen kan hebben voor individu en maatschappij.

Ontstaan en ontwikkeling

Ernstige (gedrags)stoornissen ontstaan zelden op latere leeftijd, er zijn voorlopers in de kindertijd. De huidige situatie in het gezin van Rob (zie kader 2) moet gedeblokkeerd worden, anders bestaat de kans dat de stoornissen in een neerwaartse spiraal alleen maar complexer zullen worden en escaleren. Bij problematisch storend gedrag kan men zich afvragen hoe het zo ver heeft kunnen komen en of men op de moeilijkheden vroeger had kunnen anticiperen. Er bestaat geen éénduidige oorzaak voor dit gedrag. Het gaat om een complex kluwen van kind-, ouder-, gezins- en omgevingsfactoren. In de literatuur treft men heel wat overzichten van beïnvloedende factoren aan. Hieronder staan de meest relevante elementen:

KINDFACTOREN: genetische kwetsbaarheid, perinatale risico's, intelligentie, geslacht, temperament en tot slot cognitieve, sociale en probleemoplossingvaardigheden;

OUDERFACTOREN: opvoedkundig gedrag, de eigen opvoedingsgeschiedenis, persoonlijkheid en vitaliteit;

GEZINSFACTOREN: relaties tussen subsystemen (de partners of de siblings onderling), hechting tussen ouder en kind, gezinsorganisatie, -cultuur, en -dynamiek;

CONTEXTFACTOREN: uitstoting van de peergroup en aanwezigheid in de buurt van een delinquente peergroup waarbij men zich kan aansluiten, socio-economische status en support systems.

Kader 1. Een praktijkvoorbeeld: Tinne
Tinne is 14 jaar. Haar ouders hebben het gevoel de greep op haar gedrag te verliezen. Ze vermelden heel wat zorgen en klachten, zowel thuis als op school. Thuis gedraagt Tinne zich dominant, ze wil de baas zijn. Wanneer ze iets wil en niet krijgt, drijft ze haar zin door via dreigementen. Bijna dagelijks dreigt ze bijvoorbeeld datgene te stelen wat de ouders niet voor haar kopen en af en toe doet ze uitspraken als: ‘Dan steek ik het kot in brand, dan spring ik uit het raam…’ De tiener praat ook brutaal tegen alle gezinsleden, vooral tegen de ouders. Tegen moeder roept ze bijvoorbeeld ‘bitch’ en ‘ik haat u’, als ze niet naar een fuif mag. Wanneer vader vraagt hoe een schooltoets was, antwoordt ze nors: ‘Dat zijn uw zaken niet’. Daarnaast komt Tinne geregeld te laat thuis. Meestal gaat het om enkele minuten. Soms is ze ettelijke uren te laat en geeft ze hiervoor allerlei excuses die achteraf niet blijken te kloppen. Tot slot liegt Tinne regelmatig. De ouders hebben nauwelijks zicht op hoe hun dochter haar vrije tijd invult. Ze zegt bijvoorbeeld naar de bibliotheek te gaan, hoewel achteraf blijkt dat deze die dag niet open was. Tinne tracht bij confrontaties zolang mogelijk te ontkennen, of andere leugens te verzinnen. Wanneer deze worden achterhaald, zegt ze dat het niemands zaken zijn. Ook op school loopt het moeilijk. Volgens de leerlingbegeleidster van de vorige school was Tinne een berucht figuur dat de klas terroriseerde: ze gaf leerkrachten en leerlingen opmerkingen en schold ze uit, ze weigerde meermaals een schoolboek te nemen… Er werden heel wat maatregelen getroffen (zoals strafstudie en een begeleidingskaart), maar de effecten waren slechts kortstondig. Wanneer de maatregelen werden afgebouwd, herviel Tinne in het negatieve gedrag. In samenspraak met het meisje, haar ouders en de school werd gekozen voor een andere, kleinere school. Tinne was vastberaden om met een schone lei te beginnen. Ze vindt het belangrijk om erbij te horen en paste zich dus aan aan het heersende positieve klimaat in haar nieuwe klas. Na nog geen maand komen er echter de eerste tekenen dat het toch weer wat minder goed loopt op school.

Bij de vraag naar ontstaan en ontwikkeling van de antisociale gedragsstoornis is het belangrijk een onderscheid te maken tussen vroege en late starters. Jongeren die pas na de leeftijd van 12 à 13 jaar de eerste ernstige normovertredingen doen (de ‘late starters’) hebben een voorgeschiedenis, waarin de balans tussen risico en beschermende factoren relatief in evenwicht was. In voorgaande jaren hebben zij een bagage opgebouwd (frustratietolerantie, doorzettingsvermogen, sociale vaardigheden…). Zij beginnen dikwijls onder invloed van deviante leeftijdsgenoten gedragsstoornissen te vertonen. De prognose is voor hen betrekkelijk gunstig: ze stappen vrij laat in het proces en hebben een redelijke kans om er relatief vroeg uit te stappen. Anders is het voor de ‘vroege starters’. Dit zijn jongeren die reeds voor de adolescentie normovertredend gedrag vertonen. Zij stellen vaak een haast onmogelijk te behandelen gedrag. Bij hen is er dikwijls sprake van een jarenlang verstoord evenwicht tussen de risicofactoren enerzijds en compenserende beschermende factoren anderzijds. De prognose is bij deze jongeren slecht: op latere leeftijd evolueren ze al te vaak naar een chronische psychiatrische problematiek of naar chronische delinquentie.

Kader 2. Een praktijkvoorbeeld: Rob
Rob is drieënhalf jaar. Bij aanmelding ging hij ruim één jaar naar de kleuterklas, maar zat hij wegens gedragsproblemen al op zijn vierde school. Bovendien ging Rob slechts anderhalf uur per dag naar school. Deze beperkte duur was voor de kleuterjuffen (een duobaan) enorm belastend en het maximum dat ze konden dragen. Bij aanmelding vermeldden de ouders van Rob vooral gedragsproblemen op school. Samengevat en in algemene termen verwoordden ze de klachten van de (reeds vele) kleuterleidsters als volgt: ‘Rob vraagt op een negatieve manier extreem veel aandacht; je moet hem voortdurend in het oog houden’. Ze concretiseerden deze algemene klacht met dagelijkse gedragingen: Rob luistert niet naar de kleuterjuf, hij doet kindjes pijn, er zijn conflicten rond de fopspeen, Rob maakt heel wat storend lawaai, hij kan/wil zijn beurt niet afwachten… In de loop van de intakefase kwamen ook gedragsproblemen thuis naar boven: Rob doet honden na: blaffen, bijten, lopen… Rob wil/kan niet aan tafel blijven zitten na de maaltijd, hij wil/kan dikwijls niet opstaan, Rob heeft ‘kuren’, hij wordt ‘hysterisch’… In het verleden waren er thuis nog tal van andere problemen: het slapengaan, scheidingsangst, extreme fascinaties… Ouders en leerkrachten vermeldden tot slot ook dat Rob dikwijls ‘ongelukkig’ lijkt. Beide ouders verschilden aanvankelijk enorm in de visie op Robs opvoeding. Moeder oordeelde dat vader te bruut met Rob omgaat en nooit uitleg geeft. Moeders aanpak was volgens vader dan weer te zachtmoedig. Daarnaast waren ook de grootouders belangrijke opvoedingspartners. Hun visie verschilde vooral van die van moeder: zij gaven weinig grenzen en stimuleerden gedragingen die van moeder helemaal niet mochten.

Uit longitudinaal onderzoek onder leiding van Patterson is gebleken dat problematisch storend gedrag (van vooral de vroege starters) doorheen de tijd een chronologische weg volgt. Op verschillende leeftijden is het probleemgedrag stabiel, maar het komt telkens op een andere manier tot uiting en het escaleert. Patterson ontwikkelde in deze context een fasenmodel, waarin het tijdstip van probleemgedrag reeds aanvangt in de kleutertijd. In het gehele model stelt Patterson de factor ‘ouderlijk opvoedkundig gedrag’ centraal. Deze factor heeft een mediërende rol op de gedragsproblemen en is bovendien beïnvloedbaar. Basis van Patterson's theorie is het mechanisme van ‘coercion’ of ‘wederzijdse dwang’. Heel algemeen: gezinsleden kunnen door onaangenaam en irriterend te reageren iets afdwingen van andere gezinsleden. Er zijn in dit proces twee actoren. Enerzijds is er de ouder, die roept, zeurt, dreigt, slaat… opdat het kind een opdracht zou uitvoeren of een verbod zou respecteren. Anderzijds is er het gedrag van het kind, dat roept, zeurt, treuzelt, en pest om de opdrachten of beperkingen af te wenden. Het kan ook anders lopen:
Stap 1: de ouder stelt aversief gedrag tegenover het kind (geeft een opdracht, stelt een verbod…).
Stap 2: het kind reageert op een aversieve wijze (huilt, schreeuwt, krijgt een driftbui…).
Stap 3: de ouder stopt zijn aversieve actie (negatieve bekrachtiging).
Stap 4: het kind stopt zijn aversieve reactie (negatieve bekrachtiging).

Op die manier leren beide actoren iets over de interactie. Aan de ene kant leert de opvoeder dat het kind pas stopt met coërcief gedrag (weigeren en eisen) wanneer men toegeeft. Aan de andere kant leert het kind, dat het via coërcief gedrag ouderlijke opdrachten en beperkingen kan vermijden en zo directe voordelen kan verdienen. Dit mechanisme komt in alle gezinnen regelmatig voor. Het wordt pas problematisch als zo'n patroon een exclusieve omgangsvorm wordt. De ouder voelt zich ten lange leste moegetergd en machteloos. Hij of zij verliest meer en meer de controle over het kind en er ontstaat rolomkering: ‘the child runs the family’. Tegen de leeftijd van 5 à 6 jaar kan een dergelijk interactiepatroon stabiliseren. Het ouderlijk gezag is grotendeels uitgehold en de kinderen hebben veelal een gebrek aan frustratietolerantie en doorzettingsvermogen. Deze kinderen zijn bij aanvang op de lagere school dikwijls spelbrekers die onrust en ruzie veroorzaken. Ze worden vrij snel door andere kinderen uitgestoten en verworpen, met als gevolg dat hun sociale vaardigheden onvoldoende ingeoefend worden.

Naast het falen op sociaal vlak worden deze kinderen geconfronteerd met mislukken op school. Ze hebben het vaak moeilijk om negatieve feedback van leerkrachten te aanvaarden (op het vlak van gedrag én leerprestaties). In het secundair onderwijs gaat het dikwijls verder bergafwaarts. De relatie met de ouders is negatief gekleurd en er is niet zelden sprake van ouderlijke verwerping. De jongeren brengen heel wat tijd door met leeftijdsgenoten en ze vinden vooral aansluiting met hen die zich in eenzelfde moeilijke situatie bevinden. De pubers stimuleren elkaar wederzijds in hun regel- en normovertredend gedrag. Naast de externaliserende gedragsproblematiek hebben deze jongeren doorgaans een laag zelfconcept en een globaal gevoel van uitzichtloosheid. In de volwassenheid is er meestal sprake van een algemene beperkte sociale integratie. Deze personen hebben als volwassene een verhoogde kans om in contact te komen met gerechtelijke en psychiatrische instanties.

Samenvattend kan men stellen dat de stabiliteit van problematisch storend gedrag groot is: zowel over tijd (van kleutertijd tot volwassenheid), als over plaats (thuis, de school, de buurt…). Ernstige gedragsstoornissen ontstaan dus zelden in de volwassenheid. Er zijn voorlopers in de kindertijd en er is een duidelijke band tussen dergelijk gedrag in de kindertijd en psychische/psychiatrische stoornissen in de volwassenheid. De problemen komen op verschillende leeftijden wel op een andere manier tot uiting. Daarnaast blijkt er uit wetenschappelijk onderzoek meer evidentie te zijn voor het ‘verergeringsmodel’ dan voor het ‘plotse opkomstmodel’. Door de lange geschiedenis van problemen en de escalatie ervan, vertonen oudere adolescenten soms haast onmogelijk te behandelen antisociaal gedrag. Hoe langer de problemen kunnen voortbestaan en hoe complexer ze zijn, des te negatiever de prognose. Dit gehele proces kan niet verklaard worden door één oorzakelijke factor. Het gaat om een complex kluwen van interagerende elementen, gekenmerkt door een verstoord evenwicht tussen beschermende factoren en risicofactoren.

Diagnostiek

Het bestuderen van de kenmerken, het ontstaan en de ontwikkeling van oppositioneel opstandige en antisociale gedragsproblemen is voor de diagnostische fase noodzakelijk. Het juist kunnen inschatten van wat er precies aan de hand is met een specifieke jongere is echter een heel ander verhaal. Diagnostiek veronderstelt dat er nogal wat gegevens worden verzameld, geïnterpreteerd en geïntegreerd. Men moet ook systematisch en gericht op zoek gaan naar factoren die de keuze van een eventuele behandeling, het verloop en de prognose ervan beïnvloeden. Hiervoor maakt men gebruik van multiagent multimethod assessment: diagnostiek waarbij de hulpverlener informatie verzamelt bij verschillende personen (hulpverleners, leerkrachten, ouders, de jongere zelf…) en door middel van verschillende methoden (gesprekken, observaties, instrumenten…) in verschillende settings (thuis, de school…). Men moet bij dit alles nauwgezet te werk gaan. Ten eerste is de grens tussen een probleem en een stoornis subtiel. Gedrag kan men plaatsen op een continuüm van helemaal niet tot heel erg storend. De precieze grens waar het ‘normale’ probleem eindigt' en de ‘stoornis’ begint, is niet altijd even duidelijk. Ten tweede kan achter gedrag dat uiterlijk hetzelfde lijkt, uiteenlopende problematiek schuilgaan. Bij dezelfde gedragingen zal de hulpverlener dan ook meerdere hypothesen genereren en ze vervolgens trachten te behouden of te weerleggen. Tabel 1 illustreert de verschillende mogelijke hypothesen bij uiterlijk dezelfde gedragingen.

Tabel 1 Mogelijke hypothesen bij uiterlijk dezelfde gedragingen
Uiterlijk gedrag Mogelijke hypothesen
druk, Aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit
regelovertredend, Antisociale gedragsstoornis
opstandig, Oppositioneel opstandige gedragsstoornis
agressief, Antisociale persoonlijkheid
negativisme, Leerstoornis
uitdagend, Mishandeling
delicten,
aandachts- of concentratieproblemen.
stil/apathisch, Depressieve stoornissen
bedroefd/verdrietig, Angststoornissen
psychosomatische klachten, angstig, Separatie-angststoornis
geen vrienden/geïsoleerd, Persoonlijkheidsstoornis
vlucht contact, Mishandeling
schoolse resultaten dalen. Leerstoornis
stereotypieën, Pervasieve ontwikkelingsstoornis
automutulatie, Zwakzinnigheid
mutisme, Selectief mutisme
sterk fantaseren, Stereotype bewegingsstoornis
hallucineren, Stoornis door amfetamine of andere producten
wanen. Schizofrenie en psychotische stoornissen
Dissociatieve stoornissen
Schizoïde/-typische stoornis

Jongeren met problematisch storend gedrag hebben een verhoogd risico op talloze andere problemen. Ook dit aspect van co-morbiditeit bemoeilijkt de diagnostische fase. In de literatuur wordt in eerste instantie de aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) geassocieerd met problematisch storend gedrag. Ten tweede - en voor velen ietwat verrassend - is er een verhoogde kans op internaliserende gedragsproblemen, zoals depressieve kenmerken of een angststoornis. Ook leerproblemen en druggebruik zijn verwante thema's. Over het feit dat antisociale gedragsproblemen samengaan met andere problemen/stoornissen, is algemene consensus. Er bestaat wel heel wat discussie over wat oorzaak of gevolg is. Co-morbiditeit heeft gevolgen voor behandeling en prognose.
Het hulpverleningsproces vanuit orthopedagogische invalshoek

Doorgaans stellen ouders, leerkrachten en andere opvoeders een tweeledige hulpvraag: ze wensen enerzijds een duidelijke diagnose, anderzijds een behandeling op maat van het kind/de jongere. Of nog: ‘Wat is er aan de hand en wat kunnen we eraan doen?’ De orthopedagoog vertaalt deze tweeledige hulpvraag in opvoedkundige termen. Hij gaat allereerst op zoek naar de pedagogische vraag van het kind/de jongere: welke vraag stelt hij/zij en in hoeverre is deze ‘bijzonder’ (in termen van kinddiagnose). De pedagogische vraag is de aanpak, die een kind/jongere nodig heeft om optimaal te kunnen ontwikkelen. Men kan deze slechts indirect op het spoor komen door de betekenis achter het uiterlijk gedrag te ontdekken of te interpreteren. Vervolgens tracht men zicht te krijgen op het pedagogisch aanbod van de verschillende partners in de opvoeding (ouders, leerkrachten…). Wanneer er een kloof is tussen vraag en aanbod, spreekt men van opvoedingsproblemen. Nadat de diagnostische fase is afgerond, dient de hulpverlener na te gaan welke behandeling is geïndiceerd. Bij problematisch storend gedrag kan een orthopedagogische invalshoek een belangrijke meerwaarde hebben. De factor ouderlijk opvoedkundig gedrag (het pedagogisch aanbod) bij de ontwikkeling en het in stand houden van dergelijke problematiek is immers van groot belang. Daarnaast is ook individuele begeleiding van de jongere noodzakelijk.

Kader 3. Een praktijkvoorbeeld: Wout
Wout wordt door ouders en leerkrachten omschreven als ‘druk, een haantje de voorste, lui, niet gemotiveerd…’ Z'n punten zijn zwak en worden dan nog behaald door heel veel ondersteuning van moeder. Zowel thuis als op de lagere school was het gedrag nog hanteerbaar. De start van het eerste middelbaar loopt echter moeilijk. Wout brengt oproer in de klas, begint soms luidop te praten of te zingen, dan weer legt hij zich languit op de grond. Al snel wordt hij de ‘leider’ van de klas. Na grondige diagnostiek blijkt Wout een ernstige vorm van dyslexie te hebben. Hij blijkt ook zeer intelligent te zijn (tegen de verwachtingen van ouders en leerkrachten in). De betekenis van zijn gedrag wordt stilaan duidelijk. Wout vindt het niet leuk dat hij veel meer dan andere kinderen moet studeren en toch nog zwak scoort. Hij schaamt zich dat hij bij het chatten op de computer zoveel schrijffouten maakt. Hij vindt het niet eerlijk dat hij zoveel samen met moeder moet studeren, terwijl zijn vriendjes kunnen spelen… Hij voelt zich dom. Wout wil in iets uitblinken, ook op school. Aangezien het niet lukt met knappe schoolresultaten, dan maar met negatief gedrag…

Tot slot

Problematisch oppositioneel opstandig en antisociaal gedrag bij pubers omvat een verscheidenheid aan externaliserende gedragingen, die potentieel nadelige gevolgen hebben voor de jongere, diens onmiddellijke omgeving en zelfs voor de gehele maatschappij. Oppositioneel opstandige en antisociale gedragsstoornissen bij pubers hebben dikwijls voorlopers in de kindertijd. Hoe langer de problemen kunnen voortbestaan en hoe complexer ze zijn, des te negatiever de prognose. De vraag rijst hoe het bij dergelijke gedragsproblematiek zo ver kan komen. Het geheel kan niet verklaard worden door één oorzakelijke factor. Het gaat om een complex kluwen van interagerende elementen, gekenmerkt door een verstoord evenwicht tussen beschermende factoren en risicofactoren. Patterson maakt in zijn fasenmodel het ontwikkelingsproces inzichtelijk. Hij maakt de problematiek niet alleen begrijpelijk, maar biedt ook handvatten voor behandeling. Doorheen het gehele model stelt hij de factor ouderlijk opvoedkundig gedrag centraal. In een volgend artikel wordt dieper ingegaan op de behandeling van problematisch storend gedrag.
Copyright 2007, Bohn Stafleu van Loghum, Houten

http://www.bsl.nl/corp/common/framecreator.asp?ak=welkom&ap=vakb

De aanpak van oppositioneel opstandig gedrag bij pubers (2)

Wibrich Bruyninckx
Psychopraxis, 05 (2003), p. 196-201

Trefwoorden:oppositioneel opstandige gedragsstoornis, ; puberteit, ; opvoedingsproblemen;

In de vorige bijdrage (PsychoPraxis nr 4) bespraken we de kenmerken van oppositioneel opstandig gedrag en enkele belangrijke aspecten van diagnostiek. In dit vervolgartikel staat de pedagogische en therapeutische aanpak centraal.
De ernst van de gedragsproblematiek bepaalt mee de mate waarin een meer of minder specifieke aanpak geïndiceerd is. Het basisprincipe is echter steeds het zoeken naar een pedagogisch aanbod op maat van de jongere. Dit aanbod omvat vier domeinen: belangstelling en betrokkenheid tonen, hulp bieden, grenzen stellen en sanctioneren. We bespreken deze achtereenvolgens en gaan ten slotte in op het hanteren van storend gedrag in crisissituaties.

Inhoud
• Grondhouding: belangstelling en betrokkenheid tonen
• Hulp bieden
• Grenzen stellen
• Grenzen bewaken: sanctioneren
• Bij crisis: eerst doen, dan reflecteren
• Tot slot
• Aanbevolen literatuur

Ernstige (gedrags)stoornissen in de volwassenheid hebben dikwijls voorlopers in de kindertijd. De problemen komen op verschillende leeftijden wel op een andere manier tot uiting. Bovendien is er veelal sprake van een escalatie van problemen. Hoe langer de problematiek bestaat en hoe complexer ze is, des te negatiever ook de prognose. Dit proces kan niet verklaard worden door één oorzakelijke factor. Bij deze jongeren en hun gezin is sprake van een verstoord evenwicht tussen risicofactoren en compenserende beschermende factoren. Het gaat om een complex kluwen van factoren bij het kind, de ouders, het gezin en de ruimere omgeving. Centraal in dit artikel staat een belangrijke mediërende factor, die bovendien beïnvloedbaar is: ouderlijk opvoedkundig gedrag. Bij deze (ortho)pedagogische invalshoek moet men steeds overwegen of er met hulpverleners van andere disciplines moet worden samengewerkt, c.q. aan anderen moet worden doorverwezen.
Tinne is 14 jaar. Thuis gedraagt ze zich dominant, ze wil de baas zijn. Wanneer ze iets wil en niet krijgt, drijft ze haar zin door met dreigementen. Ze praat tegen alle gezinsleden brutaal, maar vooral tegen de ouders. Daarnaast komt ze geregeld te laat thuis en dan liegt ze over de redenen van de late thuiskomst. Ze liegt ook meer algemeen over de invulling van haar vrije tijd. Wanneer ze op een leugen betrapt wordt, tracht Tinne zolang mogelijk te ontkennen of iets anders te verzinnen. Zit ze evenwel klem, dan snauwt ze ‘dat het niemands zaken zijn’. Naast de verbale agressie kwam er recent ook af en toe ‘duwen en trekken’ aan te pas. Momenteel is er nog nauwelijks ruimte voor positieve aandacht voor Tinne. Wanneer ze lief is, vermoeden de ouders direct onderliggende motieven. Zelf beweert ze met een schone lei te willen beginnen, maar tot hiertoe ervoeren de ouders daar weinig van.

Er zijn in het gezin vrij strenge grenzen en regels, bijvoorbeeld rond het uitgaan. Tinne vindt de regels onterecht en houdt zich er dan ook nauwelijks aan. Ze tracht de overtredingen dikwijls te verbergen door leugens en als deze uitkomen zwijgt ze of reageert brutaal. Hiervoor excuseert ze zich nooit… ‘tenzij ze weer iets wil verkrijgen’, zo stellen de ouders. Het opstandige gedrag wordt meestal niet gevolgd door directe en consequente sancties. Moeder durft niet meer te reageren, want ‘dan zou het alleen maar erger worden’. Ze tracht zich rustig te houden en het gedrag te negeren. Sporadisch neemt vader ‘drastische’ maatregelen, zoals een maand huisarrest. Na een fikse woedebui ondergaat Tinne deze straf meestal gelaten. Direct nadat de straf is afgelopen, hervalt ze in haar negatieve gedrag. Het lijkt dan zelfs te escaleren. Ook volgens de school gaat het bij sancties telkens terug naar af. Wanneer Tinne (uitzonderlijk) positief gedrag stelt, is er voor beloningen geen ruimte meer: ofwel is het ‘normaal’ dat iets vlot verloopt, ofwel wordt er direct gezocht naar ‘verborgen’ motieven.
Grondhouding: belangstelling en betrokkenheid tonen

Hoe oud de jongere ook is, hij/zij heeft behoefte aan belangstelling en betrokkenheid, in het bijzonder van belangrijke opvoeders: ouders en leerkrachten. Deze stelling geldt dus ook voor pubers: ze hebben hieraan meer behoefte dan ze dikwijls – met al hun stoerheid – laten merken.

Pubers willen niet dat hun ouders naast hen in de stad lopen, maar willen toch weten of ma/pa die trui écht wel mooi vindt. Ze willen geen zoen voor het slapen, maar als hun ouders onverwacht laat thuiskomen zijn ze toch wat ongerust. Een ouder mag zich niet bemoeien met hun vrienden, maar o wee wanneer deze niet vriendelijk dag zegt tegen hun liefje.
Door de leerkracht uitgebreid geprezen worden in de klas kan soms het ‘imago’ ondermijnen: de leerling loopt het risico bestempeld te worden als ‘favorietje’ van de betreffende leerkracht. Een meer subtiele blijk van belangstelling wordt doorgaans wel geapprecieerd (een knipoog, een positieve noot op de toets,…).

Hulp bieden

Soms grijpen opvoeders te snel in, terwijl achteraf blijkt dat dit voor (meer) problemen zorgt. Jongeren zelf wijzen er dan op, dat ze ‘het wel alleen kunnen’ of ‘geen kind meer zijn’. Op andere momenten worden te weinig hulp en structuur geboden. Dit is juist vaak het geval bij jongeren met storend gedrag. Dat wordt immers al te vaak verkeerd geïnterpreteerd als een ‘niet willen’ (koppig, lui, eigenzinnig). Wanneer we het gedrag van jongeren nader analyseren, blijkt er dikwijls eerder sprake te zijn van een ‘niet kunnen’. Het storend gedrag maskeert dan de behoefte aan hulp. Dit is bijvoorbeeld duidelijk het geval bij kinderen en jongeren met ADHD (aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit), oppositioneel opstandige gedragsstoornis (ODD) en antisociale gedragsstoornis (CD) (zie kader 1).

Kader 1. ADHD, ODD en CD
Kinderen met ADHD hebben vooral aandachtsproblemen: ze zijn snel afgeleid en hebben moeite met concentratie. Op het eerste gezicht lijkt het echter dat ze zich niet willen inspannen en niet geïnteresseerd zijn. Daarnaast is er ook sprake van impulsiviteit en overbeweeglijkheid: ze handelen zonder na te denken, zijn ongeduldig, gaan van de ene activiteit over op de andere, zitten niet stil. Dit alles wordt al te vaak ten onrechte geïnterpreteerd als ‘met opzet’ storen en pesten.
Jongeren met ODD of een CD hebben dikwijls vervormingen en lacunes in de gedachtegang. Ze hebben een hardnekkig korte-termijn-denken, een beperkt vermogen om het perspectief van iemand anders in te nemen en maken steeds weer dezelfde fouten. Door cognitieve disfuncties reageren zij in onduidelijke situaties sneller agressief en tegelijk veel vijandiger in daadwerkelijk agressieve situaties. Zij hebben ook een tekort aan vaardigheden om (interpersoonlijke) problemen adequaat op te lossen.
Grenzen stellen

Jongeren hebben behoefte aan duidelijke grenzen, zeker als zij problematisch storend gedrag vertonen. Een goede structuur maakt jongeren duidelijk wat kan, wat niet kan en wat moet. Daarnaast moeten ze ook vooraf de gevolgen kennen als ze de afspraken niet naleven. Het is niet overbodig uitdrukkelijk te vermelden dat deze consequenties ook daadwerkelijk uitgevoerd worden. Jongeren moeten ervaren dat nee ook echt nee is en dat zeuren en protesteren niet helpen. Het is tot slot ook belangrijk dat jongeren ervaren dat ouders, leerkrachten en hulpverleners dezelfde lijn hanteren.

Door de opvoeder De opvoeder moet geregeld zelf regels en afspraken bepalen. Dan moet hij gewoon beslissen en eisen stellen, en zich aan deze beslissing of eis ook houden. Als men wil dat iets echt gedaan wordt, dan moet men een duidelijke opdracht geven. Bij het verbieden van negatief gedrag is het belangrijk om niet alleen te zeggen wat niet mag, maar ook wat dan wel moet. Een aantal andere tips zijn:

• Benoem het gewenste of ongewenste gedrag in duidelijke termen;
• Geef kort uitleg waarom het moet of niet mag, zonder uitvoerig te verantwoorden. Soms zelfs is er geen uitleg, tenzij ‘omdat ik het zo wil’;
• Zeg niet alleen wat niet mag, ook wat wel mag: bied alternatieven;
• Wees zelf overtuigd, dan kom je ook overtuigend over.

Onderhandelen

Bij pubers dient men steeds meer op een goede manier te onderhandelen over regels en afspraken. Onderhandelen is niet oeverloos discussiëren. Het betekent dat opvoeder en jongere constructief overleggen om een oplossing te vinden waar ze allebei mee tevreden kunnen zijn, zodat er geen ‘winnaar’ of ‘verliezer’ is. Enkele andere tips hierbij zijn:

• Beperk je tot één probleem en bespreek dit zo concreet mogelijk;
• Kies een geschikt moment voor overleg;
• Luister actief naar de jongere: geef aandacht aan wat hij/zij vertelt en tracht je in te leven in zijn/haar leefwereld. Kortom, wees positief betrokken op de jongere (in plaats van passieve aandacht of desinteresse);
• Geef duidelijk je eigen mening;
• Veroordeel het gedrag, niet de persoon;
• Geef ik-boodschappen: met deze uitspraken verwoord je duidelijk je eigen gevoelens en gedachten. In conflictsituaties wordt ermee aangegeven hoe je het probleem ervaart. Ik-boodschappen zijn niet beschuldigend of aanvallend, ze bevatten de ‘drie G's’: Gedrag dat je niet leuk vindt, Gevoel dat je daarbij hebt, en Gevolg van het gedrag. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind het vervelend dat jij praat tijdens de les, want dan kan ik mij niet meer concentreren’;
• Geef opbouwende kritiek;
• Hou het kort, zonder overbodige vragen (zoals waarom? aan wie ligt het?);
• Blijf rustig en neutraal, reageer niet te snel of te impulsief.

Uiteraard draagt de volwassene bij het onderhandelen de eindverantwoordelijkheid. Hij of zij beslist uiteindelijk hoeveel beslissingsinvloed de jongere krijgt. Onderhandelen is enkel zinvol als de jongere inderdaad enige ‘invloed’ kan uitoefenen. In situaties waarin de volwassene heel waarschijnlijk de beslissing toch zal doordrukken, gaat het om ‘onderhandelen met het mes onder tafel’, wat toekomstige pogingen tot echt onderhandelen ondermijnt.

Grenzen bewaken: sanctioneren

Het basisprincipe van de operante leerpsychologie is dat gedrag wordt beïnvloed door de gevolgen ervan. Men spreekt van ‘bekrachtiging’ als het gevolg leidt tot een toename van het gedrag en van ‘straf ' als de consequentie resulteert in een afname van het gedrag. In de opvoedingspraktijk van alle dag hanteren we andere begrippen of betekenissen ervan (zie kader 2).
Kader 2. Het verschil tussen vakjargon en alledaags taalgebruik
Gedrag doen toenemen Positieve bekrachtiging Belonen met iets leuks Negatieve bekrachtiging Belonen door iets niet-leuks (bijv. een straf) kwijt te schelden Gedrag laten verminderen Positieve straf Straffen door iets niet leuks toe te voegen Negatieve straf Straffen door een beloning weg te nemen; negeren; apart zetten
Het sanctioneren van jongeren met problematisch storend gedrag blijft dikwijls beperkt tot straffen. Van belonen is nauwelijks nog sprake. Bij een succesvolle aanpak echter moeten beide aspecten aanwezig zijn en dan nog met de volgende verhouding: vijf beloningen tegenover één straf. Deze verhouding bewerkstelligt – samen met de hoger besproken grondhouding – een positief opvoedingsklimaat.
Positief gedrag bekrachtigen: belonen
Hier geldt het motto: hoe moeilijker de jongeren, hoe moeilijker het belonen, maar ook des te meer noodzakelijk! Het valt opvoeders van jongeren met storend gedrag dikwijls zwaar om nog iets positiefs op te merken in het gedrag van de jongere. En als de jongere dan al iets goeds doet, ‘dan hoeft dat niet beloond worden; het is toch niet meer dan normaal dat hij nu ook eens iets goeds doet’. Wat van de meeste jongeren gewoon verwacht mag worden, is voor pubers met gedragsproblematiek soms echter al een hele prestatie. Daarom is het belangrijk positief gedrag – hoe minimaal ook – te blijven opmerken en te belonen om in de toekomst meer positief gedrag te bewerkstelligen.

Belangrijke tips hierbij zijn:
• Leg de lat niet te hoog; beloon positief gedrag, hoe minimaal ook;
• Beloon consequent: kom je beloftes ook na;
• Beloon niet te veel: een beloning heeft meer effect als ze af en toe en onverwachts volgt;
• Beloon gevarieerd: er zijn verschillende materiële, sociale en activiteitsbeloners;
• Geef een beloning die voor de jongere ook de betekenis van een beloning heeft;
• Kwijtschelding van een voorziene straf kan ook een beloning zijn, maar pas hier goed mee op!

Negatief gedrag trachten te verminderen

Uitsluitend het positief bekrachtigen van gewenst gedrag is onhaalbaar. Ongewenst gedrag wordt immers in stand gehouden door positieve consequenties. Men kan op deze verschillende manieren zoveel mogelijk elimineren: straffen, negeren en apart zetten.
Straffen
Het motto is: straffen moeten we zo goed mogelijk doen om het zo weinig mogelijk te moeten doen! Echt storend gedrag moet men laten volgen door negatieve gevolgen voor de jongere, anders zal het zich voortzetten. Dergelijk gedrag heeft immers heel wat onmiddellijke voordelen, bijvoorbeeld in de klas: constant praten met een klasgenoot is leuk, weigeren een toets te maken is een last minder, het afgeperste geld van een klasgenoot is mooi meegenomen, aandacht van medeleerlingen wanneer men een leerkracht uitscheldt is leuk. Zowel blikken van bewondering als blikken van angst verhogen de status van deze leerling. Bij gebruik van alcohol en andere drugs is er bovendien het lichamelijk effect dat op zich zeer bevredigend is. Straffen werkt echter vaak niet of slechts tijdelijk en houdt een aantal nadelen en gevaren in:
• Stiekem gedrag om de straf te ontlopen;
• Veel straffen maakt jongeren ongevoelig, bij herhaling moet men steeds harder straffen om hetzelfde effect te bereiken;
• Negatieve interactiespiraal: wat de jongere nog goed doet, wordt niet meer ‘gezien’;
• De jongere krijgt ook via straffen veel aandacht;
• Negatieve groepssfeer (in klas).
Men kan het risico op deze gevaren beperken door een aantal principes te respecteren:
• Benoem het negatieve gedrag duidelijk en concreet;
• Straf consistent: telkens als het ongewenste gedrag zich voordoet;
• Straf consequent: dreig niet met straffen, maar voer ze daadwerkelijk uit;
• Straf mild: de jongere moet zich zo snel mogelijk kunnen herpakken; waarom zou hij zich bijvoorbeeld deze maand nog inspannen als hij een maand huisarrest heeft of op het schoolrapport sowieso een nul krijgt?
• Heeft de maatregel voor de jongere de betekenis van een ‘straf ’? (in plaats van een ‘beloning’ zoals negatieve aandacht opeisen of een status binnen de groep opbouwen)
• Straf zinvol: zoek een straf aansluitend bij de aard van het ongewenste gedrag.

We herhalen in deze context ook het belang van een positief klimaat. Dat is te realiseren door een basishouding van belangstelling en betrokkenheid en wat sanctioneren betreft de vuistregel ‘vijf positieve tegenover één negatieve opmerking’.

Negeren

Negeren is een manier om elke vorm van bekrachtiging van storend gedrag uit te bannen. Door er niet op te reageren wil men dergelijk gedrag laten ‘uitdoven’. Gedrag negeren kan onder andere door de andere kant op te kijken, gewoon verder te gaan waarmee men bezig is of zich eventjes af te zonderen. Negatief gedrag negeren is niet altijd eenvoudig, zeker niet in groepssituaties: de jongere heeft een uitgebreide trukendoos om de aandacht van de opvoeder op te eisen en dit kan ten koste gaan van de sfeer thuis of in de klas. Negeren heeft in een groepssituatie bovendien niet altijd het gewenste effect. Als bijvoorbeeld het stoere gedrag de aandacht krijgt van de groep en de status van de jongere hierdoor verhoogt, neemt dergelijk gedrag alleen maar toe.

Apart zetten

Vaak is het zeer moeilijk om ongewenst gedrag niet aan te moedigen, omdat voor de jongere alleen al een blik voldoende kan zijn. Een manier om deze aanmoediging te ondervangen is het apart zetten (time-out). De jongere wordt er een tijdje uitgezet, afgesloten van elke aanmoediging.
Het storend gedrag verliest dan meestal snel zijn functie, omdat de jongere alleen in de ruimte verblijft en geen enkele reactie meer krijgt op het ongewenst gedrag. Een dergelijke interventie kan erg effectief zijn, maar ook dubbel werken: positief is dat de jongere wordt verwijderd van alle aanmoedigende blikken vanuit de groep, maar anderzijds kan het louter uit de groep gezet worden ook ervaren worden als ‘cool’ of een ‘verlossing van die saaie activiteiten’. Zo krijgt de jongere dus eerder een beloning, waardoor de kans op dergelijk storend gedrag alleen maar toeneemt. Wanneer het apart zetten niet volgens een aantal spelregels gebeurt (bijvoorbeeld: niet straffend), dan kan het dus een averechts effect hebben.

Bij crisis: eerst doen, dan reflecteren

Het gezin van Tom ontvangt bezoek. De ouders vragen hem de televisie uit te zetten. Hij weigert en zet het geluid zelfs nog wat harder. Na herhaaldelijke verzoeken wordt vader boos en trekt de stekker uit het stopcontact. Wat volgt is een agressieve uitval van Tom: hij geeft vader een stevige duw, loopt naar de kamer en zet zijn stereo-installatie loeihard.
Doorgaans handelen opvoeders – zeker professionele hulpverleners – volgens het principe: eerst denken, dan pas doen. Soms dient men echter direct te handelen en in te grijpen. Immers, hoe sneller men ingrijpt, hoe minder drastisch dit moet en hoe meer kans dat men de negatieve cyclus nog kan ombuigen. Later kan men hierop natuurlijk wel reflecteren: evalueren wat het probleem precies was en hoe men hierop reageerde. Dit kan aanwijzingen geven voor het hanteren van soortgelijke situaties in de toekomst.
De eerste uitingen van agressie zijn op te merken in het non-verbale gedrag. Het is belangrijk om dit aspect van de communicatie niet te negeren en erop te reageren. Bijvoorbeeld: ‘Ik zie dat je boos bent, klopt dat? Ik wil er wel met je over praten’. Omgaan met een (dreigende) crisis veronderstelt een gepaste grondhouding. Vanuit die houding kan men concreet op verschillende manieren reageren, afhankelijk van verschillende factoren. Een belangrijk element is de vorm van het storend/agressief gedrag.
Basishouding: de jongere serieus nemen en eigen emoties in de hand houden
Het is essentieel om de jongere te allen tijde serieus te nemen, onderscheid te maken tussen gedrag en persoon, met andere woorden diens eigenwaarde te respecteren en dit ook te laten merken. Dit kan door betrokkenheid en interesse te tonen en de jongere geen gezichtsverlies te laten lijden. Men dient ook baas te blijven over de eigen emoties en deze dus niet te laten bepalen door de jongere. Anders kan angst leiden tot paniek en irritatie tot een uitbarsting. Een rustige ademhaling, de spieren ontspannen en (letterlijk) stevig met beide voeten op de grond staan, kunnen helpen controle over de eigen emoties te behouden.

Strategie van het vermijden

Heel wat problemen met lastig gedrag draaien rond het ‘gevecht om de macht’. Jongeren volharden soms in hun storend gedrag om geen gezichtsverlies te lijden, om niet te moeten toegeven dat de ander ‘gewonnen’ heeft. In zo'n situatie kan men ervoor opteren om het gevecht (tijdelijk) te ontwijken. Deze vermijdingsstrategie werkt het best wanneer een conflict nog niet ten top is gedreven,maar de jongere aangeeft dat hij uit is op een ‘gevecht om de macht’.Wanneer men deze strategie vanuit een gevoel van onmacht hanteert, dan ondermijnt dit de positie van de opvoeder.Wanneer men er echter positief voor kiest, dan kan het een sterke ‘zet’ zijn.
Een jongere trapt tegen een blikje en de leerkracht vraagt hem het op te rapen. De jongere antwoordt dat hij hem niet kan dwingen. De leerkracht kan nu de machtsstrijd om het blikje aangaan. Hij moet zich er echter van bewust zijn dat leerlingen soms liever de machtsstrijd aangaan dan voor de ogen van hun medeleerlingen gezichtsverlies te lijden. Het kan zinvol zijn om de strijd dan niet te voeren: ‘Dwingen kan ik je niet, maar ik kan het je wel vragen’. Nadien kan op de situatie dan (individueel) worden teruggekomen.

Strategie van het deëscaleren

Vooral bij vormen van frustratie-agressie is het essentieel dat de jongere merkt dat de opvoeder naar hem luistert en hem serieus neemt. Hij begrijpt dan dat de jongere agressief gedrag vertoont, omdat deze zich tekort gedaan voelt. Wanneer men de emoties van de jongere niet actief (h)erkent, dan zal deze het gevoel hebben nog harder te moeten brullen om gehoord te worden en escaleert de situatie. De jongere moet ook de kans krijgen emotioneel stoom af te blazen. Pas wanneer zijn emoties geluwd zijn, kan het inhoudelijk gesprek gevoerd worden.Men reageert dus pas ‘na de storm’, maar men reageert er wel op! Deze deëscalerende strategie is samen te vatten als ‘water op het vuur’. Beschuldigingen, dreigementen, denigrerende opmerkingen, minimaliseren en bruuske bewegingen zijn af te raden, want ze zijn ‘olie op het vuur’!

Strategie van het confronteren

In situaties van instrumentele agressie en bij agressie tegen personen (gezinslid, leerkracht, medeleerling) kan men de jongere op een assertieve manier confronteren met zijn of haar gedrag zonder dat deze hierbij gezichtsverlies lijdt. Bij deze confronterende strategie negeert men het negatieve gedrag niet, maar stelt men duidelijke grenzen en eist men respect.
Tot slot
De factor ‘ouderlijk opvoedkundig gedrag’ staat centraal in de hier beschreven aanpak van oppositioneel opstandig gedrag bij jongeren. Men dient dit echter steeds te situeren binnen een complex kluwen van
andere risicofactoren en compenserende beschermende factoren. Het basisprincipe blijft echter steeds: zoeken naar een pedagogisch aanbod op maat van de jongere.

Aanbevolen literatuur
1. Peeters J (1995) Moeilijke adolescenten. Leuven: Garant Peeters J (2000) Antisociale jongeren. Leuven: Garant
Copyright 2007, Bohn Stafleu van Loghum, Houten

http://www.bsl.nl/corp/common/framecreator.asp?ak=welkom&ap=vakb

( Dit zal ik samenvatten in een powerpoint presentatie )

Powerpoint presentatie:

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License